Wetenschappelijk onderzoek

De beknopte eclectische psychotherapie voor PTSS (BEPP) is oorspronkelijk ontwikkeld in de jaren ’80 en ’90 voor de behandeling van PTSS bij politiemensen. Later werd deze behandeling ook toegepast bij mensen met PTSS uit de bevolking, ongeacht wat voor traumatische gebeurtenis men had meegemaakt. De effectiviteit van BEPP bleek uit studies waarin cliënten behandeld met BEPP vergeleken werden met cliënten op een wachtlijst. Onlangs zijn ook de resultaten gepubliceerd van een studie waarin BEPP en EMDR vergeleken werden.

In deze studies werden cliënten op basis van loting toegewezen naar een van beide behandelingen of een wachtlijst (zogenaamde gerandomiseerde gecontroleerde studies). Het bleek dat politiemensen alswel mensen uit de algemene bevolking die diverse soorten traumatische gebeurtenissen had meegemaakt zeer goed opknapten door BEPP (Gersons e.a., 2000Lindauer e.a., 2005). Mensen die op de wachtlijst stonden herstelden niet.

BEPP versus EMDR

Na BEPP en EMDR knapten mensen gelijkelijk op van hun PTSS klachten (Nijdam e.a., Britisch Journal of Psychiatry, 2012). Cliënten met behoefte aan snel herstel van symptomen kunnen voor EMDR kiezen. Wij denken dat mensen die meer behoefte hebben aan reflectie op het trauma en ervan willen leren, meer gebaat zijn bij BEPP. De resultaten van de follow up een jaar na behandeling moeten nog bekend gemaakt worden. We zijn benieuwd of het werk in de fase van betekenisgeving waarin we beogen dat cliënten leren van het trauma terugkomt in een langdurig herstel van de klachten.

Stilstaan bij hotspots

Het is wetenswaardig dat in goed lopende BEPP behandelingen vaker stil gestaan wordt bij zogenaamde “hotspots” van de traumatische gebeurtenis. Hot-spots zijn de momenten met een sterke emotionele lading. Behandelaren kunnen dus zorgen dat cliënten beter opknappen van de behandeling wanneer zij hotspots herkennen en hierop inspelen. In supervisies en cursussen worden behandelaren hier dan ook tegenwoordig op getraind.

Biologische veranderingen na BEPP 

De BEPP-behandeling bleek ook biologische veranderingen teweeg te brengen (Lindauer e.a., 20062008). Een verhoogde hartslag bij het horen van de eigen traumatische geschiedenis, daalde beduidend na een succesvolle BEPP therapie. De frontale hersenen (‘het denken’) worden minder geremd na BEPP en lijken meer grip te krijgen op het limbische systeem (‘de emoties’). Ook heeft de behandeling invloed op stresshormonen; bij een succesvolle behandeling stijgt het niveau van het 'anti-stress'-hormoon cortisol (Olff e.a., 2007), wat belangrijk is voor een goede regulatie van de lichamelijke functies in stress-situaties.

16 jaar politiepoli

In september is een belangwekkend rapport uitgebracht in samenwerking met de Politieacademie onder de titel ‘PTSS bij de politie – een beter beeld; 16 jaar politiepoli, 1000 gebruikers’. Het rapport is te downloaden van de site van de Politieacademie. Van de 1000 politiemensen, die sinds 1995 verwezen werden naar de Politiepoli (vroeger van het AMC en tegenwoordig van Arq), werd bij 566 politiemensen de diagnose PTSS vastgesteld. Via het netwerk van BEPP-therapeuten verbonden aan de politiepoli werden de politiemensen behandeld. 96% voldeed na afloop niet meer aan de diagnose PTSS. Van belang is dat 60% van hen wel in beperkte mate last bleef houden van met name concentratieproblemen. Van andere trauma-focused behandelingen is nog niet eerder onderzocht of en in welke mate er restklachten blijven bestaan.